De Heren van Diest

De Heren van Diest

In 1087 wordt in een kroniek van Sint-Truiden een zekere Otto, heer van Diest, vermeld die een hoogteburcht op de warandeheuvel bewoond. Zijn opvolgers zouden de heerlijkheid Diest besturen tot het begin van de 16e eeuw. Tussen 1168 en 1190 werd de heer van Diest leenman van de bisschop van Keulen in de hoop op die manier beschermd te zijn tegen de hertog van Brabant, die er steeds op uit was zijn gebied te vergroten. In 1228 vestigde het klooster van de minderbroeders zich aan de oevers van de Demer. Uiteindelijk schonk hertog Hendrik I van Brabant Diest in het daaropvolgende jaar (1229) stadsrechten aan Diest wat een einde maakte aan de betrekkingen met Keulen.

Dankzij de stadsrechten verkreeg men bijvoorbeeld het recht om een muur rond de stad te bouwen (zie middeleeuwse stadswallen) alsook het recht om een markt te houden

In de 12de eeuw groeide de stad gestadig en kwam er een stadsvergroting langsheen de bestaande kern zodat de wegen naar het gehucht Beveren en Leuven binnen de kern kwamen te liggen. Ook het gebied tussen de oude kern en de Warande werd verbonden. Deze nieuwe gebieden waren versterkt met aarden wallen en natte en droge grachten. Omdat Diest zo snel groeide kwamen in de laatste decennia van de 12de en de 13de eeuw veel nieuwe wijken buiten deze versterking te liggen. In 1211 is er te Diest sprake van een capella, die later zou uitgroeien tot de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Deze kapel was gelegen aan de noordelijke voet van de Warande en deed dienst als slotkapel. Diest groeide verder op de noordelijke Demeroever en kreeg uiteindelijk een vrijheidscharter in 1229 van Hendrik I, hertog van Brabant. Onder Arnold IV breidde de stad zich verder uit. Hij gaf aan de abdij van Tongerlo de toestemming om een nieuwe parochie op te richten. De bouw van de Sint-Jan-de-Doperkerk werd opgestart. In 1253 kreeg ook de Onze-Lieve-Vrouwekapel de status van parochiekerk zodat er nu drie parochies in de stad waren

Spring naar toolbar